Vertraging

Op de laatste zaterdag van de herfstvakantie stonden we op het treinstation van Toulouse, nadat we een week lang de gouden bruiloft van mijn ouders hadden gevierd in hun huis in Daumazan-sur-Arize. Het was een Kerstfeest XL geweest, met het hele gezin met aanhang, maar dan in een heerlijk zonnetje. Met een blos op de wangen en fijne, nieuwe herinneringen hadden we afscheid van elkaar genomen. Jantien, Tom en Tijs gingen met de auto naar huis, Pek, Mila en ik met de trein. ‘Wie het eerste thuis is,’ had ik nog geappt.

Een uur voor vertrek stonden we voor het blauwe scherm met vertrektijden. Maar hoe vaak we ook op en neer scrolden met onze ogen, de TGV van 11.54 uur naar Paris Montparnasse stond er niet tussen. Daar werden we ongemakkelijk van. Pek ging de treinkaartjes in zijn telefoon nog een keer nakijken en ik liep naar iemand van de security. Ze was de enige in de hal die bij het station hoorde. ‘De trein van 11.54 uur? Nee, die rijdt niet. Vanwege de stakingen.’ Ik kende het Franse woord voor staking (la grève) niet, maar je leert snel als je nergens naartoe kunt. Of we dan een andere trein konden nemen. Ze keek me met vermoeide ogen aan. ‘Waarschijnlijk rijdt er maandag of dinsdag wel een trein.’

We werden naar de rij gestuurd met gestrande passagiers, die hun tickets probeerden om te boeken bij de servicebalie. Op één man na die vloekend heen en weer liep om zijn wachttijd te verkorten (dat werkte niet), hing er een gelaten sfeer in de wachtruimte. Later bleek dat er nogal vaak wordt gestaakt bij de Franse spoorwegen, wat misschien verklaarde dat het merendeel van de (Franse) reizigers zich er al lang bij had neergelegd.

De dame aan de balie legde in gebrekkig Engels uit dat we maar één kans hadden om die zaterdagavond nog in Parijs te komen. Om 15.30 uur konden we de trein naar Bordeaux nemen. Daar moesten we drie uur wachten op de TGV naar Parijs, die om 21.00 uur zou vertrekken. Om 23.15 uur zouden we in Parijs zijn. ‘En anders moet je wachten tot dinsdag,’ zei ze meewarig. We kozen voor de ‘vanavond-in-Parijs’-optie, want dat voelde als vooruitgang.

Het was een gekke dag. We liepen wat rond in Toulouse, waar vreemd genoeg steeds meer zwaarbewapende agenten verschenen. Misschien was er nóg een staking, of een demonstratie of voetbalwedstrijd, maar dat zijn we niet te weten gekomen. We probeerden een zwerver af te poeieren, maar die bleek Nederlands te spreken, waardoor we niet meer van hem afkwamen.

De trein naar Bordeaux stond halverwege de rit een half uur stil, omdat er een man op het spoor liep die, zoals de conducteur het subtiel verwoordde, van plan leek zich voor de trein te werpen. Toen de politie hem had gevonden – hij was ook nog even kwijt – bleek het een fanatieke treinspotter te zijn die gewoon een foto van lekker dichtbij wilde maken.

Bordeaux leerden we kennen door er in hoog tempo doorheen te marcheren, want zo veel tijd hadden we niet. Of eigenlijk wel, want de TGV naar Parijs bleek bij terugkomst in het station vijftig minuten vertraging te hebben. Om 01.00 uur lagen we doodop in een bed in een hotel in Montparnasse. De wc spoelde niet door, maar we hadden Parijs gehaald.

De volgende ochtend belde Pek met iemand van NS Internationaal. Die was uiterst behulpzaam, maar kon ons niet eerder op een trein krijgen dan dinsdagavond. ‘Alle treinen zijn volgeboekt door de stakingen en de herfstvakantie, het spijt me.’

We hadden nog nooit drie dagen vertraging gehad – de NS is zo gek nog niet - maar áls dat dan gebeurt, dan kun je er maar beter het beste van maken, dachten we. En vooruit, drie verplichte dagen in Parijs klonk lang niet verkeerd. Het was toch anders geweest als we in Almere waren gestrand. Mila vond het sowieso niet erg, want die kon mooi twee dagen school skippen.

Parijs was fantastisch. Nou okee, los van het feit dat we twee keer van hotel moesten wisselen vanwege een fout in het boekingssysteem. En dat we een hele middag kwijt waren aan het kopen van ondergoed, sokken en extra shirts, omdat we al onze bagage aan mijn zus hadden meegegeven. En dat we bij het Louvre een uur in vier verschillende rijen moesten staan, omdat onaardige medewerkers ons steeds de verkeerde kant op stuurden. En dat ik tussendoor ook nog moest werken. En dat Pek op de laatste dag ziek werd.

Parijs was fantastisch, maar toen we dinsdagavond om 23.30 uur eindelijk thuis waren, waren we hélemaal gesloopt. We hadden nog dagen nodig om weer terug in ons ritme te komen.
‘Was Parijs nou echt leuk?’ vroeg ik een paar dagen later aan Pek. ‘Of waren die bonusdagen vooral doodvermoeiend?’
‘Ik vond het wel echt leuk,’ zei Pek, ‘maar ik denk dat we gewoon niet meer gewend zijn dat de dingen zo anders lopen dan gepland.’

Misschien ben ik een stuk minder avontuurlijk dan ik ooit was. Want als iemand vroeg hoe Parijs was, dan ging ik meteen alle negatieve dingen opsommen. Terwijl ik vrij optimistisch van aard ben. Ik had ook kunnen zeggen: we hebben de Mona Lisa gezien, over de Champs-Élysees gelopen, ons aan de Eiffeltoren vergaapt, door de Jardin de Luxembourg gezworven, een prachtige virtuele expo van Dalí gezien, crêpes gegeten, in heerlijke hotels geslapen en een Uber-pizza op onze kamer laten komen, terwijl we Expeditie Robinson keken op de laptop. En het was hartstikke gezellig met ons drietjes.  

Misschien kan ik er inderdaad niet meer zo goed tegen als de dingen anders lopen dan verwacht. Of misschien ben ik vergeten wat een avontuur eigenlijk is. Dat een avontuur niet alleen maar leuk is, maar ook uitdagend, en soms ongemakkelijk en doodvermoeiend. Dat je allerlei problemen moet oplossen en dat je daarna een glaasje wijn neemt omdat het gelukt is.

We hadden de trein naar Toulouse genomen, omdat we niet wilden vliegen. Ook al waren we drie dagen eerder thuis geweest als we met het vliegtuig waren gegaan, de volgende keer kiezen we zo weer voor de trein. Die drie dagen vertraging waren dan misschien niet ‘alleen maar leuk’, ze waren wél memorabel. En daar is heel wat voor te zeggen.