Herinneringen

Dit korte verhaal is in december 2021 verkozen tot het Verhaal van de Maand, in de gelijknamige, doorlopende schrijfwedstrijd van korte verhalen. Wil je het liever luisteren dan lezen? Klik dan hier.

Herinneringen

De man in de grijze overall nam een slok van zijn koffie en keek om zich heen. De kamer was nu helemaal blauw, op zijn schamele meubels na. De wastafel stak als een witte wolk af tegen de pas geverfde muur, het enige wolkje aan een verder strakblauwe hemel. Het was een mooie kleur blauw. Het deed hem denken aan de zomerse middagen na school, die hij op zijn rug in het weiland doorbracht. Wanneer hij zich voorstelde dat hij een vogel was, zwevend door de oneindig blauwe ruimte. Dwars door de wolken ging hij, richting de zon, en met een snoekduik rakelings langs de boomtoppen omlaag. 

Zijn hand verkrampte. Vlug zette hij zijn kopje op de tafel. De vingerknokkels helemaal wit.
Zijn vlucht door de wolken duurde nooit lang. Dan waren de jongens er weer, die aan hem duwden en trokken. Die onaardige dingen zeiden. Hij wilde vliegen, maar de jongens hielden hem aan de grond. Ze lieten hem niet met rust. De man liet het kopje los, liep zijn kamer uit, twee trappen naar beneden, groette de conciërge die achter zijn bureau zat te schrijven, en ging de straat op.

In de verfwinkel op de hoek zei hij tegen de man achter de balie: ‘De kleur was niet goed. Ik wil een andere kleur proberen.’

De rest van de dag besteedde hij aan het opnieuw verven van alle muren in zijn kamer. Toen hij de eerste laag er in de ochtend op had, ging hij op zijn bed liggen tot de tweede laag eroverheen kon. Hij at een boterham en ging vroeg slapen. 

De volgende ochtend was hij even tevreden over de muur, want de kleur herinnerde hem aan het meer waar hij vroeger ging zwemmen. Drijvend op zijn rug werd hij onderdeel van de grote, stille plas die het zonlicht weerkaatste in de kringen die hij maakte. De waterlelies kriebelden in zijn haren, de baarsjes knabbelden aan zijn voeten. Maar dan kwamen de jongens en ging hij kopje onder.

De man van de verfwinkel stond al klaar met een nieuwe pot verf.

Zo ging het weken achter elkaar. Maanden. Jaren. Elke dag ging de man naar de verfwinkel. Hij probeerde alle schakeringen violet, blauw, groen en geel. De grijze overall van de man kreeg vlekken, die uiteindelijk de hele stof bedekten. De man zag het niet. Hij schilderde door.

Na zes jaar, twee weken en drie dagen schilderen kon de man niet meer met zijn kwast achter zijn kast komen. Zijn kamer was gekrompen. Elke week had hij zijn kast verder richting zijn bed geschoven, maar nu stond deze er strak tegenaan. De onderste laden konden niet meer open. De kast moest weg. De man dacht even na en liep naar beneden om de conciërge te halen. Samen tilden ze de kast van de twee trappen af en zetten hem aan de straat.

Hij verfde verder. De kamer werd goudbruin, koraal, saffraan, net als zijn overall. Er kwamen mooie herinneringen boven van de lange krullen van zijn buurmeisje, van bloeiende Dahlia’s, van de tomaten in de tuin van zijn ouders. Maar de jongens banjerden overal doorheen en maakten alles vies met hun grote, modderige voeten. Hij sliep steeds slechter.

Weer ging er een jaar voorbij. De wastafel was intussen verdwenen in de muur. Laagje voor laagje had de man hem dieper laten zinken in het kleurenmoeras, totdat hij hem met een veeg scharlakenrood helemaal ten onder liet gaan.

Intussen zag de conciërge vanachter zijn bureau de man met de kleurrijke overall steeds magerder worden. Ze groetten elkaar dagelijks, en daar bleef het bij. Pas toen de man hem vroeg samen zijn bed naar beneden te dragen, besloot hij hem een vraag te stellen:

‘Hoe moet je dan slapen?’
‘Ik slaap wel op de grond,’ antwoordde de man.
De conciërge knikte.

De overall van de man slobberde rond zijn lijf. Zijn kamer werd alsmaar kleiner. Hij had geen meubels meer, geen bezittingen, alleen nog zijn kwast. Het verven ging steeds sneller. Tussen de droogtijden door zat hij op de galerij. Herinneringen vlogen door zijn hoofd als flarden die zich mengden met de kleuren op zijn overall. Groene velden kregen oranje strepen, paarse stippen vulden de nacht. Vaalbruine vegen draaiden oneindige cirkels op het houten plafond. De man voelde zich licht in zijn hoofd. De jongens waren overal.

Op een dag ging de bel van het woningbouwcomplex. De conciërge deed open. Het was de man van de verfwinkel. ‘Mijn beste klant is al twee dagen niet geweest en nu maak ik me zorgen.’

De conciërge deelde zijn zorgen. De laatste keer dat de man zijn bureau was gepasseerd, was hij zo dun geweest dat hij hem amper had gezien in zijn ruime kledingstuk. Hij stelde voor om boven te gaan kijken. Zwijgend liepen ze de twee trappen op.

De conciërge en de man van de verfwinkel klopten op de deur. Ze bonsden. Het klonk vreemd en dof. Toen er niets gebeurde, haalde de conciërge een koevoet tevoorschijn en brak de deur van de kamer open. De man van de verfwinkel sloeg een kreet, de conciërge liet zijn gereedschap vallen. Er was geen kamer, alleen een smalle opening tot aan het raam tussen twee dikke muren van kleurige laagjes verf. De mannen keken elkaar vertwijfeld aan. Minuten gingen voorbij. Toen stak de conciërge zijn hand uit en voelde aan de bovenste laag verf.

‘Vermiljoen,’ zei de man van de verfwinkel.   

De verf was droog. De conciërge zette een voet over de drempel en wurmde zich zijwaarts door de smalle gang. Zijn rug en borstkas schuurden licht tegen de wanden. Met kleine stapjes schuifelde hij de ruimte in. Vlak bij het raam voelde hij iets bij zijn voet. Het was een verfkwast. De conciërge raapte hem met een acrobatische beweging op. De haren waren hard van de vermiljoen verf. Met de kwast stevig in zijn hand schoof hij dichter naar het raam.

‘Zie je iets?’ vroeg de man van de verfwinkel vanuit de deuropening.

De conciërge drukte zijn voorhoofd tegen de ruit en keek de straat in. Drie jongens van een jaar of twaalf slenterden over de stoep achter de geparkeerde auto’s, hun gezichten verborgen in grote, nonchalante capuchons. De langste maakte grote armgebaren en sloeg zijn vrienden gebroederlijk op de rug. Luid gelach drong de smalle kamer in. Verderop liep een jongen met lange blonde haren, de handen in zijn zakken, het hoofd gebogen. Boven de boomtoppen en de rommelige daken kleurde een regenboog de grijsblauwe hemel.

‘Niets noemenswaardigs,’ zei de conciërge.

 
—-

Uit het juryrapport:

Prachtige compositie, subtiele maar zeer indringende 'boodschap'; goed voorbeeld van 'show, don't tell'“

”Een prachtig absurdistisch verhaal. Het idee van de verwijdende kamers is briljant, het einde past perfect bij het verhaal. Met veel plezier gelezen.”

”Geweldig, kafka, film the french dispatch, eigenlijk een elf. met show don't tell de jeugd beschreven, liefde en trauma. ironie en humor zonder te overdrijven. de jaar winnaar?”

—-

Photo by Harald Arlander on Unsplash