Bosbaden

De Natuurkampeerterreinen bestonden 50 jaar en dat werd gevierd met een groot evenement op de Hoge Veluwe. Als oud-medewerker mocht ik erbij zijn. In de middag deed ik mee aan een workshop Bosbaden, waar ik al vaker van had gehoord en waar ik nieuwsgierig naar was. Bosbaden gaat niet over een bad nemen in een het bos – het bos is zélf het bad. Maar, vroeg ik mij af, hoe is dit anders dan gewoon een boswandeling maken?

Shinrin-yoku, bosbaden dus, is min of meer uitgevonden door Japanners. Ik weet vrijwel zeker dat het al duizenden jaren bestaat, maar de Japanners hebben er in de jaren tachtig een goede marketingterm opgeplakt. Omdat Japanse werknemers in de jaren tachtig steeds vaker gezondheidsklachten kregen door de hoge werkdruk, kwam de Japanse overheid met bosbaden als remedie. Het idee is dat je je bewust onderdompelt in de atmosfeer van een bos door gebruik te maken van al je zintuigen. En dat je daar lekker ontspannen van wordt (en in het geval van de Japanse werkende mens: dat je dan weer vrolijk verder kunt werken).

Het idee om gestreste werknemers het bos in te sturen is niet gek. Inmiddels is al vaak genoeg aangetoond dat je omgeven door natuur – al wandelend, picknickend, of door je leefruimte zo groen mogelijk in te richten – een goed gevoel geeft. We hebben een natuurlijke behoefte aan andere levensvormen en deze zit diep verankerd in ons systeem, zonder dat we ons daar heel erg bewust van zijn. In een compleet betonnen ruimte wordt niemand gelukkig. Mooie landschappen en groene omgevingen trekken ons automatisch aan. Er is zelfs een naam voor onze verwantschap met de natuur: biofilie, wat letterlijk ‘liefde voor levende systemen’ betekent.

De natuur als plek om te ontspannen, dat snap ik. Ik vroeg me vooral af wat een workshop bosbaden daar bovenop heeft te bieden. Is het echt iets extra’s, of is het gewoon een relatief nieuwe marketingterm voor een boswandeling?  

Aan het begin van de workshop kregen we de opdracht om in stilte te wandelen, zodat we de omgeving bewuster in ons konden opnemen. Als je gaat lopen kletsen, gebruik je het bos voornamelijk als decor voor je onderonsje, terwijl het bos in dit uurtje juist de hoofdrol speelde. Ik vond die stilte wel lekker, na een hele ochtend herinneringen ophalen met oude bekenden. Niet iedereen deelde die mening - achterin konden mensen het toch niet laten om hardop de dag door te nemen met elkaar.

Ook voor degenen die wel hun mond konden houden, viel het in stilte wandelen niet mee. Vlakbij was een militair oefenterrein, waardoor er voortdurend geknal te horen was. De workshopdame zei dat we dat maar moesten negeren, maar het idee van een dreigende oorlog leek me niet bepaald goed voor ons stressniveau. Er klonken meer geweerschoten dan vogelgezang.

Verderop deden we een oefening met goed kijken naar de structuren in het bos, naar hoe het licht viel, naar de afgevallen blaadjes op de grond. We kregen de opdracht om tijdens het verder wandelen op dezelfde manier te kijken naar de omgeving. De vrouw die voor me liep, vatte dat op als een aanmoediging om haar telefoon uit haar tas te halen en heel veel foto’s te maken. Ik moest er een beetje om lachen en begon me af te vragen of bosbaden met een groep eigenlijk wel mogelijk is. Naast een militair oefenterrein.

Daarna kwam het zintuig reuk aan de beurt. We mochten aan de verschillende onderdelen van het bos te ruiken. Ik rook aan een knopje van een naaldboom (lekker), een stukje mos (aards) en een natte tak op de grond (nat). Intussen spiedde ik af en toe om me heen om te zien wat de rest deed. Iedereen was braaf het bos aan het opsnuiven, ook de kletsers en de fotograaf. Misschien hadden ze zich inmiddels met frisse tegenzin overgegeven aan het bosbad.

Op weg naar het laatste rustpunt bevoelden we de structuur van de bast van de bomen, streken we uitgebloeide gras-aren tegen onze wang en lieten we de donzige blaadjes van een onbekend plantje door onze vingers gaan. Een grote, bonkige terreinbeheerder die bij me in de buurt liep, bekende dat hij dit nog nooit eerder had gedaan. ‘Maar het voelt wel goed,’ voegde hij eraan toe.  

Aan het einde van de workshop zochten we allemaal een plek uit in het bos waar we in ons eentje mochten genieten van het bos. Ik vond een klein verhoginkje tegen de dikke stam van een dennenboom aan. Met mijn rug tegen de stam en mijn ogen dicht voelde ik aan een dennenappel op de grond. Al het ongemak stroomde weg uit mijn lijf. Het enige waaraan ik dacht was aan hoe lekker ik daar zat.

Al met al was het een leuke middag met een ontspannen einde, maar had deze workshop me meer gebracht dan een gewone boswandeling? Niet per se. Het was fijn om op deze manier door het bos te lopen en ook wel interessant om mijn zintuigen zo bewust te gebruiken. Maar eigenlijk doe ik dit óók als ik een boswandeling maak in mijn eentje. Het voordeel van in je eentje lopen, is dat je niet zo bezig bent met de rest van de groep – wat ik nu wel was. En dat je een bos kunt uitkiezen zonder militair oefenterrein in de buurt.

Bosbaden als workshop is voor natuurliefhebbers vrij overbodig denk ik. Maar ik kan me voorstellen dat mensen die zelden in een bos komen of die moeite hebben om stil te staan bij De Dingen er wel wat aan hebben. Dit stemt me ook een beetje treurig: Als we speciale workshops nodig hebben om opnieuw contact te maken met een bos, dan zegt dat vooral veel over hoe ver we van de natuur zijn afgedreven. Je kunt dit oplossen met een workshop, maar je kunt ook gewoon proberen om eens wat vaker een boswandeling te maken.