West Highland Way - deel 3

Over duivelste trappen en stinkende sokken

In het vorige deel liepen we van Rowardennan aan Loch Lomond naar de stamkroeg van Rob Roy in Inverarnan. Ik vond een paar wandelstokken die ik goed kon gebruiken om mijn pijnlijke voeten te ontlasten en we deden een stuk van de route met de bus. In Glencoe sliepen we in een jeugdherberg vlak bij de plek waar Hagrid’s hut stond in de Harry Potter films. In dit deel beklimmen we de Devil’s Staircase, maken we nieuwe vrienden en krijgen we voor het eerst Ben Nevis in beeld.

  

Woensdag 18 september: Glencoe/Kingshouse - Kinlochleven

9.41 uur bus uit Glencoe
10.30 uur vertrek vanaf bushalte (20 min van Kingshouse)
Gelopen: 20 km
Trappen: 78

Na 14 uur slapen voelt Karima zich stukken beter. We nemen de bus terug naar waar we gisteren waren gebleven en lopen het terrein van het Kingshouse Hotel op, het enige gebouwencomplex in de uitgestrekte vallei. De ramen van de bijgebouwen staan open om de lucht van vieze sokken te verdrijven voor de volgende batch wandelaars. Het Kingshouse Hotel bestaat al meer dan 250 jaar. Het werd gebouwd als herberg langs een belangrijke military road. King’s House verwijst naar het leger van de Britse koning dat gebruikmaakte van de weg én de herberg. Een koning waar veel Schotse Hooglanders niets van moesten hebben. En vice versa.

Bij onze aankomst is er gelukkig geen soldaat te bekennen. We genieten van een kop koffie in de prachtig gerenoveerde bar. Aan de hoge muren hangen zwart-witfoto’s van de omgeving en van bekende, historische Schotten. Geen Liam Neeson of Annie Lennox, maar Chief huppeldepup en Lord dinges.

De grootste uitdaging van vandaag is de Devil’s Staircase. Het is de steilste klim van de West Highland Way en onderdeel van de military road richting Glencoe. Military roads werden in de achttiende eeuw aangelegd door de Britse regering om opstandige Schotse clans onder de duim te houden. Via deze verharde paden kon het leger zich sneller verplaatsen en makkelijker goederen en wapens vervoeren. In tegenstelling tot de drover’s roads, die vaak een natuurlijke route volgen, zijn de military roads vrij rechttoe rechtaan. Behalve bij de Devil’s Staircase. De Britse soldaten die dit deel van de weg in 1752 aanlegden, waren niet gecharmeerd van het bergop zeulen van zware bouwmaterialen. Daarom kreeg dit stuk al gauw de naam the Devil’s Staircase.

We zigzaggen langzaam de berg op. Het is inderdaad behoorlijk steil. Om de vijf minuten stoppen we om op adem te komen en om het steeds dramatischer wordende uitzicht in ons op te nemen. De lucht is kobaltblauw met vluchtige witte streepwolken erover uitgesmeerd. Alsof we niet in een herfstig Schotland maar in de Pyreneeën zijn. In de verte rent een groepje reeën één voor één een rotsachtige helling af en verdwijnt in de diepte. Zo gracieus en zonder moeite. Geheel in tegenstelling tot het zweet dat inmiddels van onze gezichten afdruipt. ‘Wat een vrijheid,’ zucht een man van rond de zeventig die naast ons naar het spektakel staat te kijken. Net als zijn jongere wandelgenoot, een vrouw van begin vijftig, heeft hij een feloranje t-shirt aan. ‘Dat hebben we niet afgesproken hoor, dat was ineens zo,’ zegt ze droog.

Paul en Ruth heet dit sympathieke duo, leren we verderop op de helling. Pauls vrouw is een paar jaar geleden overleden en Ruth heeft hem overeind gehouden, als een goede vriendin. Hij wilde al langer deze wandeling doen en zij was wel in voor een avontuur. We ontmoeten nog veel meer lieve mensen, waaronder twee oudere Zwitserse vriendinnen vol levensvreugde die we het Nederlandse woord ‘bodemdrang’ aanleren (als je eenmaal begint aan een zak chips of snoep, dan móet ie leeg). We nemen ons voor om later net als zij te worden. Iedereen heeft het over het weer en hoeveel mazzel we hebben. Van juni tot en met augustus heeft het blijkbaar aan één stuk door geregend.  

Boven op de pas laten we ons fotograferen bij het muurtje van steenmannetjes dat wandelaars hier in de loop van de jaren hebben gebouwd. Hoewel de pas helemaal niet zo hoog is (548 m), voelt het alsof we een alpiene top hebben beklommen. Dit is het hoogste punt van de West Highland Way. In de verte zien we Ben Nevis liggen, in een imposante keten van munro’s en - zoals gebruikelijk - gehuld in een wolkendeken. Niet alleen richting Kinlochleven is het uitzicht spectaculair. We kunnen helemaal rondkijken. We voelen ons de heersers van de Hooglanden.

Verderop draait het pad om een bergtop heen. Diep in de vallei ligt het buurdorp van Kinlochleven. De herfstzon werpt langgerekte schaduwen op de helling onder ons. Twee jonge mannen halen ons in. Een ervan hebben we al gezien op de eerste dag. Zonder de bus te nemen is hij nu op dezelfde plek als wij. Zo snel! Zijn reisgenoot heeft pijn aan zijn rechtervoet en loopt een beetje mank. En dan nog 30 kilometer per dag lopen.

Mijn eigen voeten zijn ook pijnlijk. Bij elke stap die ik neem schuren mijn hakken tegen de achterkant van mijn schoenen. Ook mijn ringtenen doen al dagen zeer. Met Compeed weet ik de pijn te dempen, maar bij de tergend lange afdaling op het brede bospad naar Kinlochleven branden mijn voeten in mijn schoenen. Ik trek ze strakker aan en ga zigzaggend de berg af. Het helpt een beetje. Om onszelf af te leiden doen we het dierenalfabet. Ook dat helpt.

We komen het dorp binnen bij een grote oude fabriek die zo in Wes Anderson film zou kunnen. Honderd jaar lang zat hier een van de grootste aluminiumsmelterijen van Europa, die voor veel werkgelegenheid zorgde in de omgeving. Kinlochleven is hierdoor relatief groot, vergeleken bij de andere dorpen die we hebben aangedaan. De smelterij is inmiddels verdwenen, maar de waterkrachtcentrale staat er nog en voorziet de regio van elektriciteit. Enorme buizen leiden het water met flinke snelheid vanaf het Blackwater stuwmeer naar de centrale. Ze gaan dwars door de natuur en zijn niet bepaald een aanwinst voor het uitzicht. Maar schone energie heeft offers nodig en het honderd jaar oude, klassieke industriële gebouw van de centrale voegt juist weer iets toe aan de omgeving. 

Op een bankje bij de Blackwatercamping naast de fabriek stillen we onze zoutbehoefte met zakjes chips uit een automaat. De camping is speciaal ingericht voor wandelaars. Je kunt er pods en futuristische eenpersoonstentjes huren of je eigen tentje ertussen zetten. Het is maar een klein veld en het krioelt er van de wandelaars die hun schoenen uitkloppen, hun voeten verzorgen of een boekje lezen. Het ziet er gezellig uit. De zon is nog weldadig warm voor dit tijdstip, 17.30 uur, en zeker voor de breedtegraad waarop we ons bevinden.

Met moeite weten we ons omhoog te hijsen van ons bankje. Ons bankje, want als je er langer dan een half uur op zit, voelt het alsof het je toebehoort. Langs hekken vol reclames gericht op wandelaars lopen we het laatste stukje naar ons gasthuis. Tigh na Cheo heet het. Onze gastheer Louis en zijn vrouw dachten dat dat ‘Huis in de mist’ betekende. Ze vonden dat een mooie naam, met een knipoog naar ‘met je hoofd in de wolken’. Later bleek hun Gaelic niet zo goed te zijn. Ze hadden het verkeerd gespeld, waardoor er nu ‘Het Verwarde Huis’ staat. ‘En dat klopt eigenlijk wel, voegt Louis er droog aan toe.

Onze kamers zijn een ware traktatie voor de vermoeide wandelaar. Zachte bedden, een schoon, dik tapijt en een heerlijk warme douche. Het meest geniet ik van het bevrijden van mijn oververhitte voeten uit mijn schoenen. Waarom die nu zo zeer doen, dat begrijp ik niet helemaal. Ik heb het nooit eerder gehad met deze schoenen. Het lijkt haast of mijn voeten gegroeid zijn. Of doorgezakt. Ik pulk de Compeed van mijn hielen en doe er een nieuw setje op. Veel tijd heb ik niet voor het verzorgen van mijn voeten, want ook in Kinlochleven sluiten de pubs hun keukens relatief vroeg.

Bij de Tailrace Inn hangt een bordje:

PLEASE DO NOT remove your shoes and socks in the bar at any time. Experience tells us that at this stage of the West Highland Way feet and walking boots have a special aroma which can be offensive to customers enjoying their meals and beverages. Thank you.’

Een tekening van een paar harige voeten met vliegen eromheen illustreert het probleem. Wij wassen elke dag onze sokken uit, maar dan nog zullen ze niet fantastisch ruiken aan het eind van een wandeldag. Veel wandelaars komen hier niet eens aan toe. Het lijkt me inderdaad beter als iedereen zijn schoenen aanhoudt in binnenruimtes met veel mensen. Toch wil ik ze heel graag uitdoen in die bar, want mijn voeten branden weg in mijn schoenen. Ook Karima heeft pijn. Elke dag krijgt ze er een of twee blaren bij. Dit moet niet lang meer duren.

Het is volle maan als we teruglopen naar Het Verwarde Huis. In een parkje probeert Ilke een foto van de maan te maken, maar ze struikelt over een hert. Het is zo donker dat ze de kudde grazende herten recht voor haar neus niet had gezien. Het hert is niet heel erg onder de indruk. 

In de kamer was ik mijn kleren van de dag en ranger roll ik ze in een handdoek met de hoop dat ze de volgende dag droog zijn. Ranger rollen is een techniek die Karima deze vakantie omarmd heeft. Het is een manier van je kleren oprollen, waardoor ze minder ruimte innemen in je tas. En blijkbaar ook om natte kleren beter uit te wringen voordat je ze ophangt. Ik drapeer de kleding over de gordijnrails van de douche en ik neem een koud voetenbad om mijn voeten te kalmeren. Kom op, nog twee dagen lopen. Jullie kunnen het.

 

Donderdag 19 september: Kinlochleven – Ben Nevis Inn

9.30 uur vertrek uit Kinlochleven
Gelopen: 22 km
Trappen: 115

Via een bospad verlaten we het aangename aluminiumdorp en slingerend klimmen we de vallei uit. Het is al best druk op het pad. Wij lopen vandaag tot aan de voet van Ben Nevis, maar voor de meeste wandelaars is dit de laatste dag van de West Highland Way. Zij lopen vandaag door tot Fort William. Verschillende wandelaars lopen zichtbaar op hun laatste energie, of het laatste vel op hun voeten. Op Ilke na heeft waarschijnlijk iedereen inmiddels pijnlijke voeten.

Bovenaan het pad verlaten we het berkenbos en vervolgen we onze route over een brede military road door een u-vormige vallei. Links onder ons loopt een riviertje. Hier en daar staan groepjes berkenbomen te vergaderen, maar het merendeel van de vallei bestaat uit het kenmerkende stugge gras met heideplanten ertussen. Soms passeren we een weiland van hoge varens. De okerkleurige munro’s steken als gouden bergen af tegen de strakke blauwe lucht. Het is boven de twintig graden. Truien en lange broeken gaan uit.

Bij een watertje eten we brood met cheddar, tomaat en olijven. Karima en ik blussen onze voeten in het ijskoude bergwater. Voor mijn gevoel zijn we al ruim over de helft, maar dat valt tegen. Mijn voeten moeten nog ruim 12 kilometer in de te krappe schoenen. De teennagel van mijn rechterringteen begint een beetje zwart te kleuren.

Aan het eind van de middag krijgen we Ben Nevis in beeld. Afhankelijk van hoe het pad draait, draait het landschap mee en vangen we af en toe een glimp op van the Ben, verscholen tussen andere bergtoppen. We zijn een beetje hyper, alsof we ons idool gaan ontmoeten. Dat idool is met 1345 m de hoogste berg van Groot-Brittannië en op een of andere manier maakt dat die berg ontzettend aantrekkelijk. We hebben geluk, de top die volgens Wikipedia 355 dagen per jaar in wolken is gehuld, is vandaag in volle glorie te aanschouwen. Het is niet een berg zoals een kind hem zou tekenen. Het is het restant van een vulkaan die meer dan 400 miljoen jaar geleden is ingestort. Daardoor bestaat de bovenkant uit een breed plateau, waarvan één kant ietsje hoger ligt. Dat is dan formeel de top. Het geeft niet dat ie een beetje plat is, we zijn fan.

Twee uur lang lopen we over smalle, rotsachtige paden in de richting van Ben Nevis, die hierdoor steeds hoger lijkt te worden. De basterdwederik is weer terug. De wit-roze pluimen geven haast licht in de zon. We lopen het weidse dal uit en komen op een breed pad door een aangeplant naaldbomenbos. Daar komen we Paul en Ruth weer tegen. Zij gaan meteen door naar Fort William en dan naar huis. We vragen een Duitse wandelaar een foto van ons vijven te maken, met Ben Nevis op de achtergrond, en dan nemen we afscheid.

Het laatste uur voelt, zoals elke dag, als een uur te lang. Mijn voeten hebben er geen zin meer in en proberen me met pijnsignalen tot stoppen te manen. Met de zon achter de berg ademt het bos een koude lucht over het pad. We trekken onze truien aan en zetten er stevig de pas in. Gelukkig is het een makkelijke afdaling tot aan de Nevis rivier in Glen Nevis (glen betekent ‘vallei’, ben betekent ‘berg’).

We steken de rivier over en bereiken eindelijk onze overnachtingsplek: een rij smalle appartementen met een sedumdak, verstopt tussen het groen. De ruimte is eenvoudig, maar voelt verrassend warm en knus aan. Vanuit het raam kijken we uit over een uitgestrekte weide vol grazende schapen, badend in het laatste licht van de dag. Bij de Ben Nevis Inn – een charmante, historische schuur omgebouwd tot restaurant – genieten we van een welverdiende maaltijd. Met lichamen die snakken naar rust, kruipen we vroeg onder de dekens. Morgen wacht Ben Nevis.

In het volgende deel beklimmen we the Ben, nemen we een duik in een ijskoud meer en hebben we precies genoeg tijd om de laatste bus naar Glasgow te halen. Toch?

Wil je geen enkele post van de astronaut missen? Schrijf je dan hieronder in voor de nieuwsbrief.